Kader 1
Fysieke inrichting en verkoeling
Drie meetbare richtlijnen voor hittebestendige inrichting: nabijheid koele plekken, beschaduwing en groenpercentage.
Toetsingsinstrument
Beoordeel jouw visie en plannen op een hittebestendige inrichting. Dit instrument helpt gemeenten in de planvormingsfase om risico's op hittestress zichtbaar te maken en te voorkomen dat deze een probleem worden.
Vul uw projectgegevens in
Voer de basisgegevens van uw project in om aan de slag te gaan.
Waarom dit instrument?
De verstedelijkingsgebieden in Nederland onder andere; grote verharde oppervlakken, intensieve gebruiksdruk, de verdichtingsopgave en een beperkte beschikbaarheid aan ruimte voor groen zorgen ervoor dat hittestress toeneemt (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019). Tegelijkertijd zijn die locaties belangrijk door de aanwezigheid van bewoners, forenzen en toeristen etc. die daar dagelijks passeren en veel tijd doorbrengen.
Dit instrument is speciaal in het leven geroepen als toetsingsinstrument om in de planvormingsfase in een vroeg stadium de risico's op hittestress inzichtelijk te maken. Het instrument dient niet als vervanging van de gedetailleerde microklimatologische ontwerpen, onder andere SOLWEIG of ENVI met simulaties. De plannen worden op een systematische wijze door 7 vastgestelde richtlijnen getoetst en hierdoor ontstaat een integrale aanpak tussen gemeenten en bewoners.
Zo werkt het
Een plangebied bestaat doorgaans uit meerdere herkenbare eenheden: pleinen, routes, overkluizingen, dekken. Beoordeel elk onderzoeksgebied afzonderlijk.
Hier moeten gegevens over het gebied verzameld worden, denk hierbij aan openbare databronnen, bv. percentage groen, hoeveelheid verharding, aanwezigheid van bomen etc.
Scoor voor elk onderzoeksgebied op elk van de zeven richtlijnen de huidige situatie: Voldoet / Voldoet deels / Voldoet niet / n.v.t.
Scoor vervolgens de verwachte toekomstige situatie na uitvoering van de situatie van de visie/plannen. Onderbouw elke score.
Bereken automatisch totaalscore per onderzoeksgebied, het verschil tussen huidig en toekomst, en de aanbevelingen.
Theoretisch kader
Kader 1
Drie meetbare richtlijnen voor hittebestendige inrichting: nabijheid koele plekken, beschaduwing en groenpercentage.
Kader 2
Iedere bewoner: 3 bomen zichtbaar, 30% kroonbedekking, 300 m naar groene plek.
Kader 3
Borging via vijf schaalniveaus: straat, buurt, wijk, stad, regio.
Scoringssleutel
75% of meer
Voldoet aan de meeste richtlijnen.
50 tot 74%
Verbeterpunten op meerdere richtlijnen.
25 tot 49%
Structurele aanpassing nodig.
Minder dan 25%
Heroverweging basisontwerp aan de orde.
Norm: Iedere woning maximaal 300 m loopafstand van plek minimaal 200 m², minimaal 80% groen, minimaal 40% schaduw
Norm: Minimaal 40% schaduw op 21 juni, 15.30 uur, op belangrijke loop- en fietsroutes
Norm: Minimaal 30% schaduw door gebouwen en boomkronen op buurtniveau
Norm: Afhankelijk van wijktype (Hoogbouw 36/45%, Historische binnenstad 15/22%)
Norm: Minimaal 30% boomkroonbedekking op buurtniveau
Norm: Minimaal 3 bomen zichtbaar vanuit iedere woning, bij voorkeur inheems en volgroeid
Norm: Minimaal 50% van groenareaal biodivers; grondgebonden groen heeft voorkeur
Wetenschappelijke onderbouwing
Het instrument integreert drie kaders tot één toetsbare systematiek. De zeven richtlijnen zijn hieruit afgeleid en direct gekoppeld aan meetbare normen.
Kader 1
Drie meetbare ontwerprichtlijnen die de basis vormen voor hittebestendige inrichting van de buitenruimte op stads- en buurtniveau. De richtlijnen zijn sturend op nabijheid, beschaduwing en verdamping.
Iedere woning ligt op maximaal 300 m loopafstand van een aantrekkelijke, koele verblijfsplek.
Belangrijke loop- en fietsroutes en verblijfsplekken zijn op het heetst van de dag minimaal 40% beschaduwd; op buurtniveau minimaal 30%.
Het groenpercentage per buurt of wijk is voldoende om via verdamping de luchttemperatuur te verlagen.
Kader 2
Een internationale vuistregel die drie kwaliteitsnormen voor stedelijk groen samenvat: zicht, bedekking en nabijheid. Een krachtig beleidsinstrument dat eenvoudig te communiceren is aan bestuur en bewoners.
Iedere stadsbewoner kan vanuit het raam minstens drie bomen van redelijke omvang zien.
Op wijkniveau is minimaal 30% van het oppervlak bedekt door boomkronen.
Iedere inwoner heeft binnen 300 m toegang tot een kwalitatief hoogwaardige groene verblijfsplek.
Kader 3
Verankert de bovenstaande richtlijnen in een integrale aanpak over vijf schaalniveaus: straat, buurt, wijk, stad, regio. Expliciete kwaliteitseisen per niveau.
Groen wordt geborgd op straat-, buurt-, wijk-, stads- en regioniveau.
Op buurtniveau stuurt de Handreiking expliciet op meetbare waarden voor schaduw, koele plekken en biodiversiteit.
Per wijktype worden minimum- en streefwaarden gehanteerd voor het groenpercentage.
Grondgebonden groen heeft voorkeur boven dak- en gevelgroen; minimaal 50% van het groenareaal is biodivers.
Concrete interventies
Per richtlijn worden maatregelen getoond met effectiviteit en randvoorwaarden.
Interactieve tool
Beoordeel elk onderzoeksgebied langs de zeven richtlijnen. Scores worden automatisch opgeslagen en doorgerekend.
Selecteer een gebied op de kaart of teken polygonen om onderzoeksgebieden te definiëren. De oppervlakte en omtrek worden automatisch berekend.
Analyse en aanbevelingen
| Onderzoeksgebied | Huidig % | Voorgenomen % | Verschil | Oordeel |
|---|